Dit verhaal gaat over een schizofrene man die een wanhoopsdaad begaat….
‘Wakker worden, Doornroosje.’
‘Het is tijd om op te staan, mooie jongen.’ Ik opende met de grootste moeite mijn ogen en zag Eva en Frank over me heen gebogen staan. Snel kneep ik mijn ogen weer dicht en draaide me om. Zo bleef ik nog een poosje soezend liggen. Uiteindelijk stond ik op zodat ik wat te eten voor mezelf kon klaarmaken. Het was inmiddels al avond, tien over zes om precies te zijn. In de keuken warmde ik een pan chili con carne op. Toen het warm genoeg was, schepte ik het op een bord en pakte een blikje bier uit de koelkast om mijn eten wat makkelijker door mijn keel te kunnen spoelen. Daarna schoof ik aan tafel en genoot van mijn diner. Na het eten ging ik op de bank in de woonkamer zitten en keek naar de televisie. Er werd een interessante documentaire over het universum uitgezonden. Frank en Eva hadden zich al een poos niet meer laten zien, maar tijdens het acht-uur journaal verscheen Frank naast me op de bank.
‘Wat een hoop ellende in deze wereld,’ verzuchtte hij. ‘En de ellende is zeker niet ver weg.’
‘Nee, de ellende begint al hier thuis.’ Dat was Eva die sprak, zittend op de vensterbank.
‘Je hebt die medicijnen vanavond al nodig, Alex. Ik hoop toch niet dat je wekenlang gaat zitten wachten op een of ander stom fonds.’
‘Als ik jou was, zou ik die pillen zo eerst maar eens gaan halen,’ zei Frank.
‘En hoe zou ik dat dan moeten doen!’ Ik kon wel op mijn tong bijten.
‘Gewoon een kwestie van even inbreken bij de apotheek.’
‘Gewoon een kwestie van…,’ herhaalde ik zijn woorden verbouwereerd. Ik richtte mijn aandacht weer op de televisie door het geluid flink op te schroeven en stug naar het scherm te blijven kijken. Ik was vastbesloten om me deze keer niet mee te laten slepen; ik zette alles op alles om mezelf niet meer in mijn eigen waan te verliezen. In het uur dat volgde deden Frank en Eva hun uiterste best om mij over te halen de apotheek te beroven. Hardnekkig bleef ik ze negeren en staarde alleen maar naar de beelden op tv. Ik vertelde mezelf steeds opnieuw dat ik in een psychose verkeerde, dat Eva en Frank helemaal niet bestonden, dat ik aan het hallucineren was, dat ik knettergek was. Op een gegeven moment keek ik niet meer naar het scherm, maar lag ik opgekruld op de bank met een kussen tegen beide oren geklemd. Aan de terreur van die twee leek geen einde te komen. Op een bepaald punt kon ik het echt niet meer verdragen. Ik had het helemaal gehad. Totaal murw geslagen schoot ik recht overeind en schreeuwde:
‘Godallemachtig, Christus nog aan toe! Nou prima dan! Ik zal die pillen wel gaan halen!’ Ik stond op en begon minutenlang door de kamer te ijsberen. Vervolgens dwaalde ik maar wat rond door het hele huis. Ik voelde constant de aanwezigheid van Frank en Eva. Ik kon totaal niet meer helder nadenken. Na een hele tijd zo door het huis te hebben rondgelopen, trok ik uiteindelijk mijn jas en schoenen aan en stapte toen nogal apathisch naar buiten. Het begon net een beetje te regenen. Op een soort automatische piloot, liep ik vandaag voor de tweede keer naar de apotheek, met Frank en Eva weer in mijn kielzog. De weg er naartoe leek eindeloos te duren, maar misschien lag dat gewoon aan mij.
Elf uur en donker buiten. De straat was minimaal verlicht en in de buurt was geen mens te bekennen. Ik stond voor het raam van de apotheek en probeerde naar binnen te turen. Niet dat er iets te zien viel, want het was er stikdonker. Maar dat betekende tenminste wel dat er niemand aanwezig was. Ik had geen flauw idee hoe ik nou binnen moest komen, ik had nog nooit eerder een apotheek beroofd.
‘Je kunt het beste via het raam naar binnen gaan,’ zei Frank. ‘Zoek in de omgeving een zwaar voorwerp dat je door het glas kunt smijten.’ Eigenlijk leek het me nogal onwaarschijnlijk dat ik hier op straat iets zou vinden wat daarvoor geschikt was, maar omdat ik nog steeds op de automatische piloot stond, gehoorzaamde ik hem zonder tegenspraak. Ik liep verder de straat af en keek om me heen of ik iets zag dat ik kon gebruiken, zoals bijvoorbeeld een losse baksteen. Daar ik niets kon vinden, liep ik weer terug en verder, de apotheek voorbij. Net toen ik dacht dat het zinloos was, zag ik een roze kinderfiets geparkeerd staan tegen een lantaarnpaal. Ik ging er naartoe en constateerde dat het niet moeilijk was om hem mee te nemen. Het fietsje zat niet vast aan een ketting en was slechts beveiligd met het fietsslot. Aan de overkant zag ik twee mensen mijn richting uit komen, dus ik wachtte tot ze voorbij en uit het zicht waren. Toen er geen kip meer op straat was, pakte ik mijn kans en tilde met beide handen het fietsje van de grond. Ik liep ermee zo snel als ik kon terug naar de apotheek. Voor het raam bleef ik weer staan, het fietsje vasthoudend met mijn rechterhand.
‘Gooi dat ding door het raam en ga als de wiedeweerga je medicijnen halen,’ beval Eva. Inmiddels was ik zo apathisch dat haar woorden nog nauwelijks tot me doordrongen. Het duurde even voordat ik haar antwoord kon geven.
‘Maar ze zullen toch zeker wel een alarm hebben? Gaat ie dan niet af?’
‘Natuurlijk gaat ie af, dommie. Maar het zal minstens een kwartier duren voordat de politie arriveert. Binnen die tijd zul je de klus dus moeten klaren.’ Het kon me ook allemaal niks meer schelen, op dat moment voelde ik gewoon helemaal niets meer. Zonder er verder nog over na te denken pakte ik het fietsje weer op en smeet ik het uit alle macht door het raam. Het gekletter was oorverdovend, ik dook naar de grond en de scherven vlogen over me heen. Het alarm ging onmiddellijk af.
‘Nu meteen in actie komen. Opschieten!’ siste Frank. In het midden van het raam zat nu een groot gat, waaraan nog losse scherven hingen. Met mijn vuisten – ik droeg handschoenen – sloeg ik de scherven eraf. Daarna klom ik voorzichtig door het gat. Het was pikkedonker en door het lawaai van het alarm raakte ik gedesoriënteerd. Gauw pakte ik een zaklantaarn uit mijn jaszak en bescheen met het licht de kasten in het voorste gedeelte van de apotheek. Het achterste gedeelte lag nog in het donker en ik had zo’n vermoeden dat dat nou net de plek was waar ik de pillen zoeken moest. Snel rende ik naar de andere kant en keek gejaagd om me heen. Overal stonden er kasten waarin zich lades bevonden, beplakt met etiketten. Ik liep naar een kast toe en stak de lantaarn tussen mijn tanden. Ik begon met het opentrekken van laden en het lezen van etiketten. In de ruimte bevonden zich vele kasten en nog veel meer laden. Op een gegeven moment las ik niets meer, maar rukte ik alle laden koortsachtig open. Ik was daarmee minstens zo’n 10 minuten bezig, voordat ik uiteindelijk een lade opentrok waarin allemaal kleine doosjes lagen. Met mijn zaklantaarn bescheen ik enkele etiketten, waarop het woord antipsychotica gedrukt stond. Eindelijk! Ik wist dat ik nu echt haast moest maken. Doodzenuwachtig nu, begon ik met beide handen door de doosjes te graaien. Af en toe hield ik een doosje omhoog zodat ik goed kon lezen wat er op het etiket stond. Op een gegeven moment viel mijn oog op een verpakking die me zeer bekend voorkwam en ik pakte het doosje op. Hebbes! Hier lag dan de medicatie die ik al die jaren trouw had ingenomen en me nu niet meer kon veroorloven. Het waren mijn medicijnen! Als een bezetene grabbelde ik zo veel mogelijk doosjes bij elkaar en propte ze in de zakken van mijn jas. Vervolgens holde ik zo hard als ik kon terug naar het kapotte raam. Zelfs door het harde geluid van het alarm heen, kon ik de sirenes horen. Gauw stapte ik weer door het gat van het raam en bevond me weer op de stoep. Ik zag drie politieauto’s hard aan komen rijden en kwam daardoor opeens weer bij mijn positieven. Het afschuwelijke besef drong tot me door dat ik nu toch echt de grens tussen goed en kwaad had overschreden. Op de rand van de stoep stond een rare snuiter die me met een glazige blik aan het opnemen was. Als een haas ging ik ervandoor en rende in de richting van een smalle zijstraat. Ik hoorde de politiesirenes naderbij komen. Angstig sloeg ik het zijstraatje in dat weer leidde naar andere zijstraatjes. Het geluid van de sirenes leek nu wat verder weg te zijn, zo klonk het tenminste. Enigszins opgelucht oriënteerde ik me op mijn omgeving. Ik kon niet zien waar ik me precies bevond, maar ik stond op een kruispunt van smalle straatjes en steegjes. Ik besloot me voorlopig schuil te houden, tot ik er zeker van kon zijn dat het veilig was. Ik ging ergens onder een brandtrap zitten en trok mijn knieën op. Doodmoe legde ik mijn hoofd op mijn knieën en rustte een tijdlang uit. Tenslotte stond ik op en sloeg ik een van de smalle straten in. Ik zou ongetwijfeld wel ergens terecht komen. Na door verschillende straatjes te hebben gelopen, kwam ik uit op een brede straat die mij bekend voorkwam. Al gauw wist ik weer waar ik was en het leek me het beste om maar gewoon naar huis terug te keren. Een paar straten verder, zag ik midden op de weg een politieauto staan. Ik schrok en stopte met lopen.
‘Gewoon doorlopen, Alex. Ze weten echt niet dat jij het bent. Ze hebben je slechts van heel veraf zien wegrennen.’ Naast me zag ik Frank en Eva weer staan.
‘Oh, zijn jullie daar weer.’ Ik haalde diep adem en beende weer verder. Zonder problemen passeerde ik de politiewagen en vervolgde de weg naar huis. Thuis aangekomen slikte ik drie keer de gebruikelijke dosis van de pillen en viel daarna uitgeput in een diepe slaap.
De volgende morgen. Nog slaperig en met zware hoofdpijn sleepte ik mezelf naar beneden en sjokte naar de keuken. Allereerst zette ik een flinke pot koffie. Uit het keukenkastje haalde ik een paar aspirientjes die ik met een slok water doorslikte. Met een kop koffie en een paar donuts nestelde ik me op de bank in de woonkamer, nadat ik eerst de televisie had aangezet. Ik zapte naar de zender die op dat moment het lokale nieuws bracht. Het boeide me niet zo. Hongerig werkte ik razendsnel de donuts weg en dronk mijn koffie. Toen verscheen er iets op het scherm wat mijn aandacht trok. Er werd een compositietekening getoond van een man. Terwijl mijn ogen op het beeld bleven rusten, kwam het me voor dat de man wel wat van mij weg had. Toen het tot me doordrong dat het inderdaad om mijn afbeelding ging, verslikte ik me in mijn koffie en begon hevig te hoesten. Vaag hoorde ik de nieuwslezer vertellen dat als iemand wist wie deze persoon was, hij of zij contact moest opnemen met de politie. In paniek sprong ik op van de bank. Wat moest ik nu in hemelsnaam doen? Opnieuw verschenen Frank en Eva. Ditmaal leken ze echter wel transparant te zijn.
‘Je moet je onmiddellijk van die pillen ontdoen,’ sprak Eva. Haar stem klonk hol en leek van heel ver te komen.
‘Spoel die zooi maar door het toilet. Weg ermee! Zonder enig tastbaar bewijs kunnen ze je helemaal niks maken.’ Frank klonk precies hetzelfde als Eva. Het volgende moment spurtte ik de kamer uit en vloog de trap op naar boven. Uit het kastje van de badkamer pakte ik de kleine doosjes die ik gisteravond had meegenomen en gooide ze op de vloer voor de toiletpot. Zo vlug als ik kon, begon ik ze door het toilet te spoelen. Ondertussen hoopte ik maar dat het toilet niet verstopt zou raken. Daar gaan mijn medicijnen, dacht ik triest. Had ik daar nou een inbraak voor gepleegd? Terwijl ik naar beneden liep, hoorde ik iemand aanbellen. Ik schrok en hield midden op de trap even halt. Na een korte aarzeling besloot ik toch om de deur open te doen. Toen ik de hal inging, zag ik Frank en Eva tegen het tafeltje geleund staan. Ik zag ze nu nog maar heel vaag; ze waren bezig te verdwijnen. Blijkbaar hadden de antipsychotica die ik de afgelopen nacht pas na lange tijd weer had ingenomen, direct alweer effect. Heel zacht hoorde ik nog hun stemmen:
‘Je hebt al het bewijs vernietigd. Ze zullen niets hard kunnen maken. Wat je nu moet doen is kalm blijven en alles ontkennen.’ Ik opende de voordeur en keek nog even om naar Eva en Frank. Op de stoep stond een man van middelbare leeftijd en achter hem nog een jonge kerel.
‘Goede morgen, mijnheer Verkerk. Ik ben inspecteur De Groot. Ik vroeg me af of u soms iets gehoord hebt over een inbraak in een apotheek, gisteravond hier in de buurt.’
‘Eh, nee, dat heb ik niet,’ stamelde ik.
‘Hmmm, hoe opvallend,’ ging de inspecteur verder. ‘Aan de hand van de beschrijving van een zwerver die de inbreker naar buiten heeft zien komen, is er een compositietekening gemaakt. Een assistente van de desbetreffende apotheek meende u te herkennen. Ze vertelde dat u gistermiddag nog geprobeerd heeft haar over te halen om bepaalde medicijnen gratis aan u mee te geven. Wilt u dus zo vriendelijk zijn om mee te gaan naar het bureau?’ Ik draaide mijn hoofd om en keek de hal weer in. Van Frank en Eva geen spoor.
V.G. Sterk ©2013-2025

