Dood en niet dood…

Image

Grip krijgen op Nietzsches denkwereld. Dat had je gedacht. Of eerder gehoopt. De god-is-dood-theorie tot mij nemen, overdenken, toetsen, uitpluizen, onderzoeken, reiken naar het tipje van de sluier, uiteindelijk een flintertje tussen duim en wijsvinger, maar die sluier met geen mogelijkheid kunnen oplichten. Blijven proberen tot onduidelijke dromen aan toe. Er net niet bij kunnen. God is niet zomaar dood. In welke richting moeten mijn gedachtekronkels zich wurmen. Kunnen zij zich voegen naar die van Nietzsche?
Nee, grip is te veel gevraagd. Laat staan begrip. Verwarring is het enige waarmee ik heb te dealen. En pogen om de verknoopte draad te ontwarren en netjes op te winden tot een geordende kluwen. Zoals mijn oma dat deed, terwijl ik de streng wol voor haar ophield.

De bel gaat en ik vermoed dat de schilders voor mijn neus zullen staan om de voordeur hemelsblauw te schilderen. Maar het zijn twee onbekende jonge mannen. In het voortuintje van de buren staan twee onbekende vrouwen. Dan weet je het wel en mentaal wapen ik mij.

De tekst waarmee het gesprek wordt geopend, komt uit Mattheüs: “Het maakt je gelukkig als je je met geestelijke zaken bezighoudt”. En de vraag is, of zij mij een vraag mogen stellen. Ik geef toestemming en meteen komt de bijbel aan bod en de vraag of ik benieuwd ben hoe ik daarvan gelukkig kan worden. Mijn hersens werken op volle toeren. Ik kan ze weg sturen, maar ik kan ze ook te woord staan. Niet aan de voordeur, te koud, maar binnen. Ik besluit open kaart te spelen: Ik wil nergens lid van worden, en we gaan een half uur in gesprek. Want interessant vind ik het wel. Ik ben vooral ook benieuwd naar hoe zij zich staande houden in zo’n strenge organisatie. Ze zijn akkoord, maar nog meer verbaasd, wanneer ik koffie ga zetten en met ze aan tafel plaats neem.

En passant leg ik twee stokoude bijbeltjes – bij de verhuizing weer opgedoken –  op tafel en nodig ze uit om ze in te kijken. Erin zitten even stokoude scheurkalenderblaadjes met uitleg van bijbelteksten, iets waar de twee jongemannen ook goed in getraind zijn. Het wordt een open gesprek. Ze vertellen waarvoor ze komen, ze hebben het over hoop, over waarheid, en geloof als zeker weten. Over hoe zij worden opgeleid, en hoe het geloof levend wordt gehouden. Alle benodigde teksten zijn met een druk op de knop beschikbaar op hun telefoon. Het bevalt me wel, dat ze zo zeker zijn van hun zaak, er zo goed van op de hoogte zijn en er zo betrokken over kunnen praten. Ondertussen heb ik bedacht dat het geen kwaad kan, wanneer ik ze laat weten waar ik de laatste zes weken intensief mee bezig ben: Nietzsche. En zijn ‘god-is-dood-theorie’. Ik wil ze niet shockeren met het aanhalen van zijn beroemdste spreuk, dus ik leg uit dat het om de idee gaat. En dat ik daarmee al een tijdje aan het ‘stoeien’ ben. Een van de twee zegt dat hij het begrijpt en kan er zelfs iets zinnigs over zeggen.

Uiteindelijk zijn we een uur volop in gesprek, goed luisterend en elkaar in elkaars waarde latend. Wat mooi, denk ik, het kan wel, een goed liefde- en waardevol gesprek te hebben met Jehova’s Getuigen. Tenslotte vraag ik ze om even mee te gaan naar de tuin, waar ik ze een uiting van de (Gods?) bijzondere natuur wil laten zien. Het is zonnig, daar houden ze van, dus ik hoop dat ze er zijn. En ja hoor, daar zitten de vuurwantsen. Op een uitgebloeide zonnebloem. Zulke mooie insecten, volkomen symmetrisch, zich koesterend in de (Gods?) zon. “Dus u gelooft wel in God?” “Er moet iets zijn”, zeg ik, “zaden kun je in de grond stoppen, maar deze laten uitgroeien tot zulke prachtige bloemen, tja, daarvoor is een bepaalde ‘kracht’ nodig.” Uiteraard beamen ze dat.

We gaan met een glimlach, een handdruk en een heel goed gevoel uit elkaar. Hun God is in elk geval niet dood. En ik houd me met geestelijke zaken bezig, al zijn dat niet die, welke zij bedoelen.

Image

Denker in Spiegelbeeld

Image

Tussen college en vertraagde trein
Probeer ik de tijd nuttig te besteden
Door de zojuist gevolgde les
Te herkauwen, zoals Nietzsche zegt
En hup! In beweging!

Dus lopend
Over het saaie, koude perron
– Waar de grijsbewolkte hemel in de verte
aan Zwitsers gebergte denken doet –
Komen de vragen:
Droeg Nietzsche wandelschoenen?
Nam hij een vulpen mee?
Bevroor de inkt bij hevige kou?
Kamde hij zijn snor zorgvuldig?
Floot hij een Wagnermelodie?
Voelde hij zich eenzaam?
Groette hij mensen?
Kon hij zich gelukkig prijzen?

Zijn dit echte vragen?
En dat loopje hier
Noemt hij dat wandelen?
Of tellen denkbeeldige bergen niet?

In de kiosk is het aangenaam
Het Filosofie Magazine kopt:
“Wie heeft dit bedacht?”
Bedenken – is dat denken?
Maar Nietzsches donkere blik lokt.

En de vraag rijst nu:

Wie voelde zich gepermitteerd
De overbekende foto
Van de overbekende grote denker
Starend in duistere verten
Te plaatsen in spiegelbeeld?

Image

Vriendschapscake

Image

In mijn uitpuilende grijze receptenmultomapje was ik op zoek naar een oud recept van mijn moeder: Jan-in-de-zak. En, omdat ik geen alfabetische volgorde hanteer, was het een kwestie van bladeren. Dat is leuk, ik had geen haast. En dus, zoals het wel vaker in dat soort situaties gaat, kwam ik langs allerlei recepten die ik nu niet nodig had, maar die wel allerlei herinneringen opriepen. Daar zijn er veel van; ik vul dit mapje nu al ruim vijftig jaar. Herfstkoekjes, die bakte ik met mijn nog jonge kinderen. We zochten mooie blaadjes, die we afdrukten in het deeg. Leuk en lekker. Maar vooral heel warm en knus. Ik was altijd van plan geweest zulk soort koekjes nog eens te maken. Maar ja, hoe gaat dat. Je weet gewoon dat het nooit meer zo bijzonder en verrassend wordt als de allereerste keer.

Ik blader verder. Notengehakt. Een recept van mijn schoonmoeder, toen we in onze vegetarische periode waren. Kruidkoek, waar een buurman het patent op had. Recepten uit een Libelle uit de seventies; het  markante lettertype van die tijd doet me glimlachen. De ‘mandarijntjes-roomrol’ maakte ik nadat de meiden geslaagd waren voor het VWO eind tachtiger jaren.

Nu valt mijn oog op een recept van een baksel dat in de zeventiger jaren collectief in trek was: de vriendschapscake. Het daadwerkelijk delen van iets zoets, iets lekkers, iets liefs. De ‘flowerpower’ straalde ervan af. Wanneer ik de eerste ‘basis’ ontving, ik zou het niet meer weten. Ook niet van welke vriendin ik het papje kreeg, Maar het was een leuk idee en het paste in ons leven van toen: het zelf maken van zuurdesembrood was een missie, een ritueel, een genoegen. Gezond eten was een hot item, en ook daarvan deelden we ideeën en recepten met elkaar.

Ik weet nog goed dat ik het ontvangen deegje met veel zorg opkweekte en deze cake voor de eerste keer bakte. Het zurige goedje moest in tien dagen met veel liefde worden vermeerderd tot het bakklaar was. Dan vulde je daarmee drie kopjes om weg te geven aan vriendinnen. Natuurlijk vergezeld van het met de hand gekopieerde recept. De rest van het deeg vulde je aan met de ingrediënten volgens dat recept of naar eigen inzicht. Zo bakte je je eigen geurige vriendschapscake. We vonden het heerlijk! En het was ook weer een goede reden om vrienden op de thee uit te nodigen.

Toch kwam er een beetje de klad in. Na drie keer zo’n vriendschapscake te hebben bereid en gegeten, wist je het eigenlijk wel. En omdat een vriendenkring uiteindelijk beperkt is, kwamen de kopjes deeg bij iedereen in een hoog tempo langs. Zo stierf dit geweldig leuke initiatief een zoete en stille dood.
Heel even was er in de jaren negentig een kleine opleving. Het was leuk, en een warme herinnering aan vervlogen tijden.

Image

Het recept van Jan-in-de-zak, waar het allemaal om begonnen was, heb ik natuurlijk ook gevonden. Of ik dat ga maken, weet ik nog niet. Het was in elk geval een mooie aanleiding voor een heerlijke trip down memory lane.

Maar, bedacht ik zojuist, zou het in deze verdeelde, vaak onvriendelijke wereld niet een ontzettend goed idee zijn om de vriendschapscake, en alles wat daarmee samenhangt, nieuw leven in te blazen?

No kiss before dying, of: Van oude dingen, de mensen die voorbij gaan*…

Image

“Is – ie open?” Naast mij staat een wat oudere man. Overhemd, jack, herhaaldelijk verstelde spijkerbroek. Hij doelt op de winkel achter mij. Ik sta op het stoepje voor de weggeefwinkel, zoals gewoonlijk in een gratis–boeken–kast te neuzen. Zojuist heb ik een verplicht bezoekje gebracht, waarna ik een stuk heb omgefietst om alle ruis uit mijn oren en mijn hoofd te krijgen. Murw ben ik van alle verhalen waar ik beleefd naar heb geluisterd, en ik vrees dat deze meneer er die van hem nog aan gaat toevoegen. “Nee, hij is dicht. Ik heb deze winkel nog nooit open gezien. Maar de boeken staan gelukkig buiten.” Nu blijkt dat ook hij alleen voor de boeken komt. Ik haal Rozemarijntje tevoorschijn, een boekje van W.G. van der Hulst. De schrijver van zoetsappige, brave, belerende kinderboeken uit de vijftiger jaren, die je kreeg na de kerstviering van de zondagschool. Hij kent de boekjes ook en we noemen bijna in koor alle titels op die we gezamenlijk blijken te kennen: Voetstapjes in de sneeuw, Van de boze koster, Anneke en de sik. Niek van de Bovenmeester, zijn favoriet. Ik zie zijn ogen oplichten en ik weet gewoon dat de mijne dat ook doen. Dan barst het los: een geanimeerd gesprek over HBS A en B, boekenlijsten, bijzondere docenten, goede schrijvers. A. den Doolaard, van wie je De Druivenplukkers op je lijst mocht zetten en die dat bijzondere boek over de eerste beklimming van de Mont Blanc schreef, De Groote Verwildering. Russische schrijvers, Tolstoj, Dostojewski, en Gontsjarov, de schrijver van het prachtige Oblomov. Henk van Ulsen zagen we in de sixties op het toneel, waar hij Dagboek van een gek van Gogol voor het voetlicht bracht. Krachtig, gevoelig, onvergetelijk. Films, zoals The Third Man met Orson Welles en Joseph Cotten, naar het boek van Graham Greene. Het boek blijken we herhaalde malen te hebben gelezen, en de film meerdere keren gezien. Dat in Wenen, waar het verhaal zich afspeelt, ook de riolen, die aan het eind van de film zo indrukwekkend in beeld komen, bezichtigd kunnen worden, is ons beiden bekend.
Het gesprek wordt op topsnelheid gevoerd, het lijkt wel pingpongen, het gaat alle kanten op; het is één groot feest van herkenning.

Deze meneer is inmiddels veranderd van een wat shabby persoon – in mijn ogen – in een goed uitziende, ontwikkelde en belezen man met een brede belangstelling. In iemand die de tijd heeft, zowel om zijn pols (Glashütte!), letterlijk aan de muren van zijn Amsterdamse appartement, zoals hij vertelt, als hier, op straat in de Zaanstreek. En nu blijkt die spijkerbroek wel oud, maar schoon, en netjes en passend versteld te zijn. Een bijzondere, leuke en waardevolle ontmoeting. Alweer…

Alleen, wat doet een Amsterdammer op een doodgewone maandagochtend in augustus in de Zaanstreek? “Prachtig weer, zin in een fietstochtje, een oude vriendin bezoeken.” We loeren nog even in de kast. Hij kiest een paar oude meisjesboeken voor zijn kleindochter. Ik haal A Kiss Before Dying van de bovenste plank. Hij kent de film, het boek niet. Ik ken geen van beide. Ik beloof het in de kast terug te zetten als het uit is. Als hij de oude vriendin weer bezoekt, staat het er. Misschien.

* (Ondertitel vrij naar Louis Couperus)

Versleten voetsporen

Image

In Den Vergulden Turk, het statige gebouw aan de Breestraat in Leiden, staat op deze zomerse dag mooi te wezen, ondanks de rij gammele studentenfietsen ervoor op het trottoir. Het goud op de drietand van Neptunus schittert in de ochtendzon en de Turk kijkt vriendelijk op ons neer.

Exact op deze dag, 26 augustus, maar dan in het jaar 1910, lunchten twee overbekende personen in het restaurant, dat hier toen op de begane grond gevestigd was.

Zo’n vijftig jaar nadien was het pand onderdeel van V&D en kwam ik er, samen met mijn nichtje, door een draaideur naar binnen, om boven in het restaurant limonade complet te gaan “gebruiken”, zoals iedereen toen zei.

Nu is het 26 augustus 2025. Wij zijn naar Leiden gereisd om in de voetsporen van bovengenoemde personen te treden. Koffie drinken in Den Vergulden Turk zit er niet in, maar de wandeling van vier uur gaan wij zeker maken; kris kras door de stad en eindigend in De Hortus Botanicus.

Wanneer ik mij die wereldberoemde, keurig geklede heren voorstel – brilletje, sigaar – voelt het toch wel heel bijzonder om hier nu te zijn. Hun geest is op homeopathisch verdunde wijze nog aanwezig. Je kunt ze zien gaan: Sigmund Freud en Gustav Mahler, die elkaar in hun woonplaats Wenen nog nooit hebben ontmoet, maar die hier in deze oer-Hollandse stad de eerste coachwandeling ooit zullen maken. Freud, die op vakantie is in Noordwijk, heeft Mahler, die niet weet hoe hij zijn huwelijksproblemen het hoofd moet bieden, hiertoe uitgenodigd. Wat had ik graag achter ze aan gelopen. Ze afgeluisterd. Hun stemmen gehoord. Waar zal het op zijn uitgedraaid? Freud heeft de componist er misschien toe aangespoord om zijn vrouw, Alma, die een (uitgelekte) geheime relatie had met de architect Gropius, terug te veroveren door middel van de ultieme liefdesverklaring: muziek! In elk geval voltooide Mahler De Achtste Symfonie, een magistraal werk, kort na dit gesprek, in september 1910. Het heeft niet mogen baten.

In een restaurantje met bijna-uitzicht op De Vergulde Turk bestellen wij koffie, die in de bedauwde, naar de zomerochtend geurende binnentuin wordt geserveerd. Met daarbij, heel toepasselijk, een overheerlijk stukje ‘turkish delight’.
Plots ervaren we een aangenaam verrassende schok: drie jaar geleden zaten wij in zo’n zelfde tuin, maar dan in Wenen, te wachten tot wij het pand, waar Freud woonde en werkte, konden binnengaan.

De dag moet nog echt beginnen, maar “we already can call it a day”.

Image

Over chocola, broodbeleg en een paar kippen.

Image

“Als je daarop gaat staan, kun je er beter bij. Ik ben ook zo klein, dus ik doe dat altijd.” Naast mij bij het chocoladeschap in de supermarkt staat een wat oudere vrouw. Een volgeladen rijdbaar mandje naast haar. Ze wijst naar een buis, onder aan het schap. Even denk ik: kan dat? Maar ze kijkt me vriendelijk aan en ze meent wat ze zegt. Ik waag het erop. Inderdaad, stevig genoeg en zo kan ik makkelijk bij het bovenste rek. Ik ben op zoek naar een plak heel donkere chocola, met een zo hoog mogelijk percentage cacao. Omdat dit merk in de aanbieding is, hebben veel klanten erin zitten grutten en ligt alles rommelig door elkaar, pistache, sinaasappel, karamel… Dank zij haar advies lukt het me uiteindelijk een 85-%-plak te bemachtigen. “Dat is zó lekker”, gaat ze verder, “dit is zó’n goede winkel.” Ik kan het beamen, er is inderdaad veel keus en de kwaliteit is over het algemeen goed. “Ik kom hier vanaf mijn vierentwintigste. Ik ben nu achtentachtig, dus ik kom hier al…” “Vierenzestig jaar… Sorry, ik praat voor mijn beurt. Maar achtentachtig jaar, dat kan ik bijna niet geloven, u ziet er veel jonger uit!” Ze glimlacht, stapt op de buis, pakt eenzelfde plak chocola en dumpt dat in haar mandje. Naast het pakje marsen waar ze met een ondeugende grijns op wijst: “Dit heb ik ook!” Haar Engelse accent hoor je vaag. “Ja uit Londen, na vierenzestig jaar hoor je dat nog steeds.” Ik hoor het vooral als ze goed op dreef is. Ik wijs op het zakje drop in mijn mandje: “Kijk, dit heb ík ook nog, maar dat is dan vast niet aan u besteed.” Inderdaad, ze gruwt ervan, maar zegt dat ze Engelse drop wel kan waarderen; vooral die met kokos en die met roze of blauwe spikkels.

Aan de andere kant van het pad staat het broodbeleg, waar we op de Engelse toer kunnen verdergaan: Marmite en lemon curd zijn haar favorieten. Als ze hoort dat die potjes ook bij mij in de kast staan, lacht ze tevreden. Een geanimeerd gesprek volgt, over granny’s die zelf curd maakten, over andere familieleden, over gezondheid en ziekte, over huis en tuin, over kippen. Wonderlijk, wonderlijk, een gesprek tussen twee wildvreemden, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, alsof we elkaar al jaren kennen, op een doodgewone zonnige zaterdagmiddag in een doodgewone supermarkt in een doodgewone kleine provincieplaats.

Het slot van het liedje is een uitwisseling van adressen en telefoonnummers. De uitnodiging om haar enorm diepe tuin vol fruitbomen en haar twee kippen te komen bewonderen, neem ik dankbaar aan.
En dat gaat er 85, nee 100% van komen. Sure as eggs is eggs!

Hoe Kafkaësk

Image

Of: gedachten bij het pikken van een peer

Van de grote Tsjechische schrijver Franz Kafka
Wordt dit jaar de honderdste sterfdag herdacht
Hij stierf natuurlijk slechts een keer
Maar dit gegeven zou hij hebben uitgebuit:
In een hilarisch, goed doordacht verhaal
Zou hij K. honderd keer hebben laten sterven

De kauw, las ik, wordt vaak wel zestig jaar
Elk voorjaar bouwt hij met dezelfde vrouw een nest
Zit een vogel met wat witte veren opgescheept
Dan is er een ekster in het overspel geweest
De kauw leert snel, en blijkt een zangvogel te zijn
Maar uit die schorre keel klinkt nooit een lied

Kavka, een Tsjechisch woord, betekent kauw
Kan de schrijver tippen aan diens lichtheid van bestaan?
Zwart haar en hoog IQ zijn snel gemunt
Zijn lachje heeft wel wat van kauwgekras
Maar voor zijn zestigste werd hij al geveld
En nestelen voor het leven is hem niet gelukt

Terwijl de kauwen peren jatten uit mijn boom
En tekens krassen in het hout
Lees ik Het Proces, de schuldeloze schuld
De Strafkolonie, rollen worden omgedraaid
Kever kun je worden en beschrijven
Een kleine muis loopt tegen muren op
En de kater stilt gewetenloos zijn honger

Wie schrijft die blijft:
De brief beslaat een pagina of honderd
– Ongefrankeerd –
De aangesprokene zal hem niet ontvangen
En nooit te weten komen wat hij mist

Geef ‘t op! Geef ‘t op!
Want alles is vergeefs
Wat is de ware weg
Wat is ware liefde

Niets is alles, niets is wat het lijkt
Nergens zul je van een ziekte ooit genezen
Niets is veranderd. Niets beklijft
Niemand kent hem, die zichzelf ontkende
En Niemandsland als domicilie koos

Ik drapeer een net
Over de perenboom
Elke vruchteloze poging
Werpt zijn wrange vruchten af.

Image


Fernweh

Image

wat neem je mee
als je op reis gaat
naar Wenen

een koffertje met kleding
toiletgerei
goede schoenen
paspoort, pinpas
“Die Welt von Gestern”
tickets op de telefoon

en als je terugkomt
wat neem je mee
uit Wenen

een ruime blik
een rijk gevoel

zwoele avonden
in de schemering
een terras op het kerkplein

muziek in het donker
in het park
muziek
op een zonovergoten middag
muziek op stations
muziek van weleer

het levend schilderij van
mensen rond een tafel
op een pleintje
kaarslicht en paardenhoeven
geratel van een koets
op kinderkopjes

Kunst met een hoofdletter
en met de Duitse oe
zoveel mooier
Schoonheid
intense pijnlijke schoonheid

de hunkerende herinnering
aan hen die hier ooit leefden
die wij kennen van
boeken en verhalen
muziek en schilderkunst
van strijd en macht
wier voetstappen
haast zichtbaar opgloeien
in het plaveisel
en waarop je onvermijdelijk
je eigen voeten zet
wij delen dankbaar
in hun erfenis

alles is er nog
en wij nemen daar
bijna tastbaar
iets van mee

genoeg is het niet
er knaagt altijd
een onbestemd verlangen















Een wonderlijke ontmoeting

Image

De kogel is door de kerk. Na zes jaar onzekerheid weten we dan eindelijk dat we in het voorjaar tijdelijk zullen moeten verhuizen, omdat de woningen in deze wijk, De Rode Buurt, grondig zullen worden gerenoveerd.

Opruimen dus. Spullen uitzoeken, naar de kringloop, naar het afvalpunt. Nadenken, overwegen, beslissingen nemen. Inpakken. En een goede gelegenheid om alle ballast weg te doen.

Deze zondag in oktober haal ik kasten leeg in de logeerkamer. Stapeltje bewaren, stapeltje kringloop, stapeltje twijfel, stapeltje weg. Het is een gevaarlijke bezigheid. Als je niet oppast, zit je zo een hele ochtend weemoedig oude foto’s te bekijken, briefjes van de kinderen te herlezen, te twijfelen over dat ene jurkje. Dat schiet niet op, natuurlijk. Ik leg de oude albums in een verhuisdoos. Ze mogen allemaal mee. Terwijl ik zo bezig ben, gaan mijn gedachten naar het begin van dit arbeiderswijkje. In 1931 werden de huizen gebouwd, naar een ontwerp van de architecten Gulden en Geldmaker. Bizarre namen in dit verband. Wie zou er als eerste in dit huis hebben gewoond, vraag ik mij af. Dat is natuurlijk niet meer te achterhalen. En bovendien zijn die mensen natuurlijk al lang dood. Ik laat het los en vouw opnieuw een doos open en vul hem met kinderspeelgoed, dat nog niet naar de kringloop hoeft. De dag vliegt om, er staat een nette stapel dozen, de zakken die weg kunnen, zet ik vast in de auto. Met een voldaan gevoel installeer ik me voor de tv voor het nieuws.

De bel gaat. Voor de deur staan twee mensen. Een oude dame achter een rollator en een jonge vrouw met een kind. Op mijn verbaasde blik zegt de jonge vrouw: “Ik kom deze mevrouw thuisbrengen, ze zegt dat ze hier woont.” Wat is dit voor vreemds, denk ik. “Dat kan niet, ik ben de enige die hier woont.”, antwoord ik. De vrouw blijft echter volhouden dat de oude dame dit adres heeft genoemd. Het is nogal verwarrend allemaal en ze begint uit te leggen: “Ik voelde me onrustig thuis, ik moest eruit, dus ben ik met mijn zoontje in de auto gestapt en ben wat rond gaan rijden. Niet ver van hier, bij de supermarkt, zat deze mevrouw op een bankje. Ik ben gestopt en heb haar gevraagd of het wel goed met haar ging, waar ze woonde en of ik haar thuis kon brengen. Ze noemde dit adres, en hier is ze dus.” Ik vind het nu wel spannend worden en begin een gesprek met de oude dame. Ze vertelt hoe ze heet en ook, en hier lopen ineens de rillingen over mijn rug, dat zij hier heeft gewoond. Sterker nog, dat zij hier, in de voorkamer – waar ik net nog voor de tv zat –  is geboren in 1935. Inmiddels heeft de jonge vrouw begrepen wat er aan de hand is. Ze gebaart dat ze de politie gaat bellen, zodat die zal kunnen helpen om de dame thuis te brengen. Inmiddels heb ik haar een stoeltje en wat drinken aangeboden. Het laatste slaat ze af. Maar een pepermunt wil ze graag, en ze stopt de rest van de nieuwe rol dankbaar in haar jaszak. Gelukkig is het niet koud; ze wil buiten blijven zitten en een dekentje vindt ze niet nodig. Ze is goed en netjes gekleed. Nu komen de verhalen pas echt los. Over haar oudere broers, haar man, zoons en kleinzoon. Haar meisjesnaam en de achternaam van haar man. Ze wijst op het medicijndoosje dat tussen tuintijdschriften in het mandje van de rollator ligt. Hierop staat de naam van de apotheek en een plaatsnaam. Geleidelijk aan komen we dichter bij huis. We hebben een mooi gesprek. Zij, het baby’tje van weleer, zit hier zomaar als een oude vrouw voor wat eens haar ouderlijk huis was. Dit adres was haar destijds kennelijk zo goed ingeprent, dat het in deze voor haar verwarrende situatie, moeiteloos naar boven kwam.

Inmiddels is een politieauto gearriveerd. De agenten hebben een indringend gesprek met de jonge vrouw. Die vertrekt daarna met haar zoontje na mij uit de verte te hebben toegezwaaid. Dan wordt de rollator in de auto gezet. Het juiste adres is blijkbaar gevonden. We moeten afscheid nemen, en dat voelt raar; we hebben allebei het idee dat we nog niet zijn uitgepraat. Ze aait over mijn vest: “Mooi, zelf gebreid?” “Nee”, antwoord ik, “mijn moeder”. Ze glimlacht. “Mooi”, zegt ze nog eens. De agente neemt haar bij de arm. Ik groet de oude dame en wens haar wel thuis.

De auto rijdt rustig weg en ik ga naar binnen. Het duizelt me. Zomaar uit het niets kwam er antwoord op mijn vraag. Ik denk aan het wiegje dat hier heeft gestaan. Aan de vrouw, die voor het laatst haar vroegere huis heeft gezien. Ik denk aan de onrust van de jonge vrouw en hoe goed het was dat ze gehoor gaf aan dat gevoel. Het geeft me ook vertrouwen: als het echt nodig is dat je iets te weten komt, als er echt iets specifieks moet gebeuren, dan gebeurt dat ook.
Toch bleef het nog lang onrustig in mijn hoofd en van slapen kwam niet veel.

Dit gebeurde twee jaar geleden. Nog steeds vind ik het uitermate bijzonder. Ik heb overwogen om de dame eens op te zoeken. Maar nee, ik heb het niet gedaan; de magie van dat specifieke moment zou er niet meer zijn. Het is goed zo.

Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht.

Image

Al sinds jaar en dag hangt de spiegel, die mijn moeder uit haar ouderlijk huis meenam toen zij trouwde, bij mij in de gang. Ik haalde hem kortgeleden voor de verhuizing van de muur, wikkelde hem in noppenfolie, zorgde voor schokvrij vervoer, en pakte hem op het nieuwe adres voorzichtig weer uit. Een zeem met spiritus kwam er aan te pas om de vieze vingers van de voorkant te wissen. En nu hangt hij gewoon weer in de gang.

Niet iets om over naar huis te schrijven dus. Laat staan er een blog aan te wijden. Maar ik ging nu toch ineens met andere ogen naar die oude spiegel kijken. Er zit een beetje het weer in. Dat is niet zo gek, voor een spiegel die ruim honderd jaar oud is. Hoeveel mensen zullen er in al die jaren in gekeken hebben en de spiegel iets hebben toevertrouwd: zit mijn haar goed; kun je zien dat ik gehuild heb; zo, lippenstift op; hè, een pukkel; kan dit sjaaltje bij die jas; mijn mascara is uitgelopen; o, wat een wallen; de eerste grijze haar; ben ík dit; hm, iets groens tussen mijn tanden; oeps, de eerste rimpel; ik moet me nodig scheren; ach, sproeten; leuk hoedje! Een spiegel met talloze verhalen en, vooral, geheimen.

Ook de achterkant is interessant. Op het ruwe hout, waarin je knoesten en jaarringen duidelijk kunt onderscheiden, staat, in potlood, de tekst: “Wie zich in een ander spiegelt, spiegelt zich zacht”. Ooit op zwierige wijze door de jongste broer van mijn moeder erop geschreven. Dat is nog eens een statement. Toen ik dit voor het eerst onder ogen kreeg, dacht ik dat het een zelfverzonnen kreet betrof, maar het is een zeer oud gezegde, letterlijk zo oud als de weg naar Rome, want daar kende men deze uitdrukking al. Kleine aanpassing, er hoort te staan: “Wie zich áán een ander spiegelt”. De betekenis luidt: Gelukkig hij, die lering trekt uit het ongeluk van anderen. Wie de problemen van een ander ziet, weet hoe hij moet handelen om zelf schade en onkosten te voorkomen. Doe je voordeel met andermans leed.

Zowel voor de uiterlijke als de innerlijke zaken kunnen wij terecht bij de spiegel. Zij toont ons alles; rauw, rücksichtsloos, recht voor zijn raap. Maar wel in spiegelbeeld. Is het dan nog wel echt? En wat ís echt? De spiegel is een bijzonder fenomeen. Voer voor filosofen.

Nu zijn kinderen over het algemeen de beste filosofen. Zij staan nog open en onbevangen in het leven. Zij hoeven zich niet te spiegelen aan anderen. Zij zijn het gelukkigst door volledig zichzelf te zijn. Zij zijn in staat letterlijk te verwoorden wat ze zien, wat ze voelen en ervaren. En dat staat garant voor de mooiste, diepzinnigste en meest waardevolle uitspraken.

Het volgende citaat, bijvoorbeeld, is van Tobias*, vijf jaar:
“Als je in de spiegel kijkt en je ziet jezelf dan kijken je ogen altijd wel ergens in de spiegel al zie je zelf je ogen niet. Want anders zie je er niks in, al staat de spiegel er wel.”

Hij snapt het. Laten wij ons maar spiegelen aan kinderen.

Image

*Tobias is de zoon van een briljante oud-leerling