
Vele vragen – Many questions
Een Bijbels antwoord op uw vraag
Vraag: In het Johannes-evangelie staat enkele malen: “ … hij heeft eeuwig leven”. Is dit niet een bewijs dat er geen tijd is waarin de mens niet leeft, maar meteen na de dood naar de hemel gaat?
Antwoord: De hoop op leven, die de apostelen predikten, is de opstanding.
Jezus’ opstanding was voor hen de zekerheid dat hij de dood had overwonnen, en ook allen die in hem geloven zou opwekken. Zonder opstanding uit de doden, schrijft Paulus in 1 Kor 15:12-19, zou zijn evangelie en het geloof van zijn lezers zonder inhoud zijn, en zouden alle ontslapen christenen verloren zijn. Tegenover de dood stelt hij “de opstanding uit de doden” (vs. 21). Elke gedachte aan een mogelijk leven in de hemel, direct na de dood, is in zijn redenering uitgesloten.
De hoop van gelovigen in de eerste eeuw werd bovendien steeds gericht op de komst van Christus (zie vs. 22). Jezus had hun geleerd:
“het zal u terugbetaald worden bij de opstanding van de rechtvaardigen” (Luc 14:14).
Zo’n belofte is onbegrijpelijk, als er vóór die tijd een beloning in de hemel zou zijn. De eerste christenen zagen uit naar
“de komst van onze heer Jezus en onze vereniging met hem”,
en Paulus schrijft dat opgewekten en levenden samen weggevoerd zullen worden hem tegemoet,
“en zó zullen wij altijd met de heer zijn” (2 Tes 2:1; 1 Tes 4:13-17).
Deze woorden zijn moeilijk te verklaren als Paulus doelt op een leven met de heer in de hemel direct na de dood.
Maar wat bedoelde Jezus dan met:
“Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.”
Is dit een bezit, zoals de meeste mensen menen een onsterfelijke ziel te bezitten?
Kunnen we het weer verliezen?
Is er geen onderbreking van bewustzijn mogelijk, zoals in onze slaap?
Johannes schrijft:
“God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in Zijn zoon. Wie de zoon heeft, heeft het leven; wie de zoon van God niet heeft, heeft het leven niet” (1 Joh 5:11,12).
Zonder Christus zijn mensen “levend dood”, zegt Paulus,
“dood door hun overtredingen en zonden”, “vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid die in hen heerst” (1 Tim 5:6; Efez 2:1, 4:18).
Maar van wie zijn zonde belijdt en deze in geloof aflegt in de doop in Christus, zegt hij:
“God echter, die rijk is aan erbarming, heeft … ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus” (Efez 2:4,5).
We worden levend door ‘wedergeboren’ te worden in Christus:
“… niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God” (1 Pet 1:23).
Zo worden wij
“zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want u allen, die in Christus ge- doopt bent, hebt u met Christus bekleed” (Gal 3:26,27).
“Wie de Zoon heeft, heeft het leven”,
omdat Christus in hem leeft. Het gaat om een levende relatie met de onsterfelijke* zoon van God. Paulus drukt die uit met het beeld van een lichaam, waarvan alle leden hun leven en groei aan het hoofd, Christus, ontlenen (Efez 4:12,16).
Jezus zelf gebruikte een ander beeld:
“Ik ben de wijnstok, u bent de ranken. Wie in mij blijft, gelijk ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder mij kunt u niets doen. Wie in mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand” (Joh 15:5,6).
Evenals een rank, die afgesneden is van de bron van leven en vruchtbaarheid, verdort en wordt vernietigd, zo verliest wie niet in Jezus blijft het leven dat hij aan hem ontleende. Het is dus mogelijk het leven in Christus, dat tot eeuwige gemeenschap met hem had kunnen leiden, te verliezen (1 Kor 9:27).
Houdt dit in dat een leven in gemeenschap met Christus niet onderbroken kan worden? Zelf gebruikte hij het beeld van de slaap voor de dood van Lazarus:
“… onze vriend, is ingeslapen, maar ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken”.
De discipelen dachten dat hij
“de rust van de slaap bedoelde”,
maar hij sprak over zijn dood (Joh 11:13). Paulus gebruikt in 1 Kor 15:20 hetzelfde gewone Griekse woord voor ‘in slaap vallen’ als Johannes, als hij Jezus
“de eersteling van hen, die ontslapen (ingeslapen) zijn”
noemt (zie ook 1 Kor 15:51 en 1 Tes 4:13-15). Dit beeld van een slaap waaruit een overledene in Christus wordt opgewekt, doet al een toestand zonder bewustzijn tot de opstandingsdag vermoeden. Dit bevestigen enkele passages waarin Jezus over “eeuwig leven” spreekt.
“Ik ben het levende brood”,
zegt hij in Johannes 6, en alleen door dat brood te eten kunnen wij leven.
De nauwe gemeenschap met hem, die dit inhoudt, drukt hij zeer dramatisch uit:
“Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en ik zal hem opwekken op de jongste dag” (6:54).
Eeuwig leven hebben in Christus houdt dus in dat een gelovige opgewekt zal worden bij zijn komst. Dit komt eerder in dit hoofdstuk nog sterker tot uitdrukking:
“En dit is de wil van Hem, die mij gezonden heeft, dat ik van alles wat Hij mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke op de jongste dag. Want dit is de wil van mijn Vader, dat een ieder, die de zoon aanschouwt en in hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en ik zal hem opwekken op de jongste dag” (6:39,40).
Er is slechts één conclusie mogelijk, namelijk dat iemand verloren zal gaan als Christus hem niet opwekt, en dat eeuwig leven nauw verband houdt met de hoop op de opstanding bij diens wederkomst.
In zijn toespraak in Johannes 5 sprak Jezus al over het leven dat een mens nu kan ontvangen door geloof in Hem, en openbaar zal worden in de toekomst. Hij spreekt eerst in vers 25 van de geestelijke dood waaruit hij mensen tot leven roept:
“het uur komt en is nu, dat de doden naar de stem van de zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven”.
En vervolgens dat hij de ingeslapenen wakker zal roepen bij zijn komst:
“het uur komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven …”.
Ons antwoord op Christus’ oproep nu, beslist of wij op die dag tot de levenden zullen behoren. Deze gedachte keert steeds terug in de brieven. Paulus schrijft:
“uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook u met hem verschijnen in heerlijkheid” (Kol 3:3,4).
Johannes zegt dat wij nu kinderen van God zijn, en weten dat
“als hij zal geopenbaard worden, wij hem gelijk zullen zijn” (1 Joh 3:2).
Paulus schrijft over het verlangen naar dat moment:
“wij zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam”.
Niet verlossing van de ziel uit het lichaam, maar “de verlossing van ons lichaam” uit de dood zal dat leven van volle gemeenschap met God en Christus brengen waarnaar gelovigen verlangen. Dat volmaakte leven na de opstanding is alleen mogelijk na een leven van gemeenschap met God en met Christus nu:
“indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de Geest is leven vanwege de gerechtigheid … Dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont” (Rom 8:10,11, 14,23).
Jezus vond het bewijs van de opstanding uit de doden in Gods woorden tot Mozes bij de brandende braamstruik
“Ik ben de God van Abraham en van Izaäk en van Jakob”,
honderden jaren nadat zij gestorven waren. Zijn commentaar was:
“Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen” (Luc 20:38).
Dit bevestigt dat er geen eeuwig leven vóór de opstanding is, want anders zou de aanhaling uit Exodus (3:6) niet het bewijs zijn dat hij wilde leveren:
“Maar dat de doden opgewekt worden, heeft ook Mozes bij de braamstruik aangeduid” (vs. 37).
Zijn woorden tot wie niet geloofden in een opstanding van doden, tonen opnieuw dat eeuwig leven voortkomt uit een relatie met God: de aartsvaders moeten opstaan, omdat Hij Zich hun God noemt; en iemand die een relatie met Hem heeft, zal leven, ook al ligt hij lange tijd zonder bewustzijn in de doodsslaap.
R.H.
*
Broeder Rijkeboer schrijft wel “onsterfelijke zoon van God” maar die zoon van God is weldegelijk gestorven. Jezus was niet onsterfelijk, maar zoals elke mens sterfelijk is, heeft Jezus ook de dood ondergaan toen hij aan de martelpaal genageld is geworden.
+
Voorgaande
++
Aanvullende lectuur
- Keuze van levende zielen tot de dood
- Voorzieningen voor de keuzes van de mens
- Stil staan bij leven en dood
- Fundamenten van het Geloof 8 De dood. Gods vonnis over de zonde
- Leven gedefinieerd door de dood
- Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 2
- Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 3 Leven, straf, dood en stof
- De doden – Waar zijn ze? 4 Het antwoord van de Bijbel
- De doden – Waar zijn ze? 6 Dood voor mens en dier
- De doden – Waar zijn ze? 15 Mozes en Elia bij de Transfiguratie
- De doden – Waar zijn ze? 16 Elia opgenomen in de hemel
- De doden – Waar zijn ze? 17 Enoch Vertaald
- De doden – Waar zijn ze? 19 Lichaam, ziel en geest
- De doden – Waar zijn ze? 23 De rijke man en de bedelaar
- De doden – Waar zijn ze? 24 Verhalen, eerste dood en hemelen
- De doden – Waar zijn ze? 25 De Tweede Dood
- De doden – Waar zijn ze? 26 Eeuwige Straf
- Herfst, Leven en dood, genade, wedergeboorte en heiliging
- Onsterfelijkheid – Immortaliteit
- Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 4 De ziel – een Grieks beeld
- Hoe leest u? – Wat leest u?: Eeuwig – eeuwige en eeuwigheid
- Niet de hemel, maar de opstanding is de troost bij de dood
- Leven in Verwachting en hoop: Geloven in de opstanding
- Gedachte voor 3 januari 2018
- Een tijd waarin de mens niet leeft
- Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden
- Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 3 Leven, straf, dood en stof
- Hoe zullen de doden weer levend gemaakt worden?
- Verschil in woordbetekenis doorheen de tijd 2 Liefhebben en Geloven