In de vorige artikelen over het fundament van het geloof hebben de figuur Satan toegelicht.
We zagen dat het Hebreeuwse woord of groep van woorden, dat op vele plaatsen in Bijbelvertalingen vertaald is als de naam Satan, eigenlijk een Bijbelse aanduiding is voor elke tegenstander van de hemelse Vader, Jehovah God. Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, keken we daarom aan de hand daarvan die betekenis van ‘de satan’ naar het gebruik in het Nieuwe Testament.
De duivel in het Nieuwe Testament (1)
De betekenis van woorden
Na alles rond satan te hebben onderzocht, vraagt het begrip duivel onze aandacht. Zoals we al zagen, kent het Aramees/Hebreeuws dit begrip niet. Het komt dan ook niet voor in de geschriften van het Oude Testament.
Toen veel Joden in de Grieks sprekende wereld woonden, werden verschillende Griekse vertalingen gemaakt van de Schriften. De ons meest bekende is de Septuaginta, waarin het woord satan slechts één maal onvertaald werd gelaten (1 Koningen 11:14).
In de meeste andere gevallen werd het vertaald met diabolos. In het (klassieke) Grieks is het soms een wat sterker woord dan satan; maar als we de Oudtestamentische betekenis in gedachten houden, is het geschikt als equivalent. Ook de schrijvers van de Nieuwtestamentische geschriften dachten er kennelijk zo over, want de meeste van hen (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes, Paulus en Jacobus) gebruiken de begrippen door elkaar. Petrus, Judas en de schrijver van de Hebreeënbrief bezigen alleen diabolos.
Ons probleem is dat wij de oorspronkelijke woorden meestal niet kennen, laat staan hun inhoud en betekenis. Soms heeft een woord in de loop der tijd een zodanig andere inhoud gekregen, en kan zelfs zo beladen geworden zijn, dat we beter het oorspronkelijke woord zouden kunnen gebruiken, om duidelijker voor ogen te hebben waar het om gaat. Dat heeft men al gedaan met satan, en zou ook beter zijn wat betreft daimōn/demonen, en misschien ook wel diabolos. Dan kunnen we uitgaan van wat er staat, en voorkomen we te lezen wat wij erin menen te zien of willen zien. Wij geven nogmaals de betekenis van diabolos en verwante woorden, zoals gebruikt in de Septuaginta:

Verschillen in vertalingen
Bij ons onderzoek naar het begrip duivel stuiten we al direct op een moeilijkheid. Want als we uit zouden gaan van de Statenvertaling, vraagt dit de bestudering van veel meer passages dan wanneer we de NBG’51 of NBV 2004 vertalingen gebruiken. Het gaat hierbij om het begrip daimōn of daimonion. In de Septuaginta is dit de vertaling van twee verschillende woorden in het Hebreeuws, die betrekking hebben op dieren en afgoden. In de Statenvertaling wordt dit woord onbegrijpelijkerwijs een aantal malen vertaald met duivel(en).
De NBG’51 en de NBV 2004 doen dit echter terecht niet. Wat het Nieuwe Testament betreft wordt in de SV consequent het begrip duivel gebruikt voor diamon(ion) en de aanverwante woorden daimoniodes en daimonizomai (op Handelingen 17:18 na, waar ‘goden’ wordt gebruikt). Wat duivel ook moge betekenen, als vertaling voor de hier genoemde woorden is het niet juist. De NBV 2004 bezigt in bijna alle gevallen de vrijwel onvertaalde term demon(en) en in een aantal gevallen bezeten(e). Bezeten(e) met wat in de NBG’51 ‘boze geest(en)’ wordt/worden genoemd. Toch komen we ook in de NBG’51 twee maal duivelen tegen, en wel in Openbaring 16:14 en 18:2, waar het toch echt gaat om demonen, wat dit ook mogen zijn, en niet om diabolos. Een voorbeeld dat vertalers niet altijd letterlijk (neutraal) vertalen, maar ook interpreteren – met het gevaar van het inleggen van eigen opvattingen.
Diabolos in de brieven van Paulus aan Timoteüs en Titus
Vanaf nu beperken we ons tot het enige Griekse woord in het Nieuwe Testament, dat zou kunnen worden weergegeven met duivel: diabolos. Het eerste dat opvalt bij het opzoeken van alle passages waarin diabolos voorkomt, is dat zowel de Statenvertaling, de NBG’51 en De NBV 2004 op drie plaatsen afwijken van het gebruik van duivel. We vinden ze in 1 Timoteüs 3:11, 2 Timoteüs 3:3 en Titus 2:3, waar gesproken wordt van lasteren, kwaadspreken. De vertalers konden daar niet onderuit, omdat Paulus duidelijk spreekt over mensen, vrouwen – en hoewel het consequent zou zijn, kun je vanuit de heersende opvatting over wie de duivel is of wat duivelen zijn, hen moeilijk duivels noemen.
Maar als we die opvatting loslaten, past het woord duivel heel goed bij hen!
Laten we consequent zijn en kijken of het woord op andere plaatsen dezelfde inhoud en betekenis kan hebben. Als we in hoofdstuk 3 van deze eerste brief aan Timoteüs blijven, zien we dat daar in de verzen 6 en 7 ook het woord duivel voorkomt. De eerste vraag is: ‘waarom zou Paulus in vers 11 een vrouw bedoelen en in de verzen 6 en 7 een bovennatuurlijk wezen?’. De tweede vraag is: ‘waarom niet eerst kijken naar wat het meest voor de hand ligt, namelijk of het om hetzelfde gaat?’. De derde vraag is: ‘waar gaat het Paulus om; wat heeft hij voor ogen?’. In vers 7 zegt Paulus dat hij niet wil dat een dienaar van God in opspraak komt. Anders gezegd: een dienaar van God mag niets doen dat mensen buiten de gemeente aanleiding tot kwaadsprekerij en laster geeft over een gelovige of gemeente. Petrus schrijft over het gevaar van verkeerd gedrag van leden van de gemeente:
“zodat door hun schuld de weg van de waarheid gelasterd zal worden” (2 Pet 2:2).
Het gaat bij wat Paulus schrijft aan Timoteüs en in deze brief van Petrus dus om dezelfde gedachte: in het ene geval vrouwen in de gemeente die kwaadspreken over anderen, in het andere mensen buiten de gemeente die kwaadspreken over (leden van) de gemeente.
En als het in twee verzen in dezelfde passage gaat over mensen, is het dan redelijk te stellen dat de duivel vers 6 een kwade bovennatuurlijke macht is?
De werkwoordsvorm peirazo van het Griekse woord peirasmos, heeft de betekenis van testen, beproeven, proberen. Beide worden in de Bijbel gebruikt voor het op de proef stellen van gelovigen. Het ligt aan de bedoeling van de beproever hoe we dat moeten opvatten. Bij goede bedoelingen is het op de proef stellen, om vast te stellen of de ander bruikbaar is en om hem of haar te verbeteren. Dit is hoe God werkt. Hij heeft een positief, levenbrengend doel voor ogen.
Jacobus zegt nadrukkelijk dat God een mens niet verzoekt (Jac 1:13); en de schrijver van de Hebreeënbrief toont mensen die vasthielden aan hun geloof, toen zij op de proef werden gesteld (11:37). Bij kwade bedoelingen is het verzoeking, in de hoop dat de ander zwicht voor de verleiding. Dan is het negatief, dodelijk bedoeld. Toen koning Balak van Moab aan Bileam vroeg hoe hij van de Israëlieten af kon komen
“leerde hij hem de kinderen van Israël een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren” (Op 2:14).
Lucas stelt de komst van schriftgeleerden om Jezus te verzoeken voor als het spannen van een strik, met de bedoeling hem
“te vangen in iets, dat hij zich zou laten ontvallen” (Luc 11:53),
zodat zij hem konden aanklagen. Datzelfde beeld gebruikt Paulus in 1 Timoteüs 3:7
“opdat hij niet in opspraak komt en in een strik van de duivel valt”.
Ook in 2 Timoteüs 2:26 vinden we dit terug. Wat Paulus hier zegt, is het best te begrijpen vanuit wat Petrus schrijft in zijn tweede brief. Hij zegt dat er mensen zijn die gelovigen – “die zich ternauwernood aan degenen die in dwaling verkeren, ontrekken” (2:18) – verleiden tot zonde. Wie toegeeft, zegt hij, is er daarna erger aan toe dan voordat hij of zij tot geloof kwam:
“Wanneer men immers door de kennis van Jezus Christus, onze heer en verlosser, de besmetting van de wereld is ontvlucht, maar er weer in verstrikt raakt en het onderspit delft, dan is voor zo iemand het laatste erger nog dan het eerste” (2:20 Petrus Canisius Vertaling).
De duivel waar Paulus over spreekt, moet evenals satan gelezen worden als de belasteraar, (valse) aanklager, de hater, de vijand. En dan valt alles op zijn plaats. In dat licht kan ook 1 Timoteüs 3:6 worden begrepen. Jezus viel in het oordeel of vonnis van ‘de duivel’ – de hem vijandig gezinde Joodse leiders – toen hij erkende dat hij de Christus was:
“Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u de godslastering gehoord. Wat dunkt u? Zij antwoordden en zeiden: Hij is de dood schuldig” (Mat 26:65,66).
Zij hadden hem een strik gezet, en in hun ogen hadden zij hem daar nu in gevangen.
Diabolos in andere brieven
Nu zijn andere uitspraken over ‘de duivel’ niet moeilijk meer te begrijpen. Paulus waarschuwt:
“geef de duivel geen voet” (Efez 4:27).
Dat wil zeggen: Doe en zeg niets dat onze vijanden aanleiding geeft tot laster, smaad of een aanklacht.
En zijn woorden
“Doe de wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen van de duivel” (6:11),
passen bij het oppassen voor de ‘strik van de duivel’ waar Paulus en Petrus over schrijven. Daarbij kunnen we de oproep van Jacobus voegen:
“biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden” (4:7).
Daar hebben we die ‘wapenrusting’ voor nodig; en wie die gebruikt is zeker van de overwinning. Dit is een weerklank van wat God zei tegen Kaïn, toen hij met moordplannen rondliep:
“indien u niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, maar waarover u moet heersen” (Gen 4:7).
Bij hem ging het om zijn eigen vijandige gedachten (vanuit jaloerse haat) tegen Abel, waardoor hij zich liet verleiden zijn broer te doden. Dus zijn ’ik’, geen vijand van buitenaf, en zeker geen machtige bovennatuurlijke. Want hoe had hij daarover kunnen ‘heersen’?
Voor de gelovigen nu zijn er vaak wel verleidingen van buitenaf: mensen die ons willen laten meedoen met wat gewoon is in de wereld, of ons ‘chanteren’ door te dreigen iets te doen dat voor ons onaangenaam is, als wij Christus willen navolgen en trouw willen zijn aan het woord van de apostelen. Dat is hoe God ons test: kiezen wij voor Hem, of voor een ‘probleemloos’ bestaan nu.
Ook Petrus schrijft de gelovigen dat zij de vijand weerstand moeten bieden:
“Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Weerstaat hem, vast in het geloof, wetende dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten” (1 Pet 5:8).
Maar hier gaat het om iets levensbedreigends: vervolging. Hij noemt ‘de tegenpartij’ niet bij name, maar het is duidelijk wie hij bedoelt: de Joden, Herodes, en de Romeinse overheid (zie Hand 4:27). De vijand zoekt de zwakke plekken (‘wie hij kan verslinden’). ‘Weerstaan’ betekent niet ‘met geweld ertegen verzetten’, maar niet toegeven aan hun eisen. Want wie aan vervolging ontkomt door te doen wat de aardse vijand vraagt, wordt een vijand van Christus. De Joodse Raad eiste van de apostelen dat zij zouden ophouden met te spreken over Christus Jezus; maar zij zeiden:
“Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven”.
Zij dreigden hen, maar lieten hen vrij, omdat zij
“geen vorm konden vinden om hen te straffen” (Hand 4:18-21).
Korte tijd later werden zij gegeseld, omdat zij niet zwegen (Hand 5:40). Jezus zegt tegen gelovigen in Smyrna:
“Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt … Wees getrouw tot de dood en ik zal u geven de levenskroon” (Op 2:10).
Het is dus zaak stevig in de schoenen te staan, en vol overtuigd te zijn van de waarheid, zodat we de proef doorstaan.
J.K.D.
+
Voorgaande
- Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
- Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
- Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen
- Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad
++
Aanvullend
- Taal van de Bijbel onder ogen zien
- Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
- Rosj Hasjana om na te denken wat wij met de wondere schepping van God doen
- Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
- God meester van goed en kwaad
- Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
- Begrippen satan en duivel in de Bijbel
- Zonde en rekenschap
- Zonde en rekenschap
- Lucifer
- Satan of Duivel
- De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
- Wat betreft het “Getal van de duivel”
- Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
- Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
- Gevallen engelen en hun verblijf
- Hoe de Satan vandaag rond toert
- Satan het kwaad in ons
- Media geen werk van Satan, een duivelse engel
- Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel
- Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
- Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
- Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
- Op weg naar het eindstation