Buurman, buurvouw, buurdochter zijn besmet. De vrouwen hebben milde klachten, voor buurman parkeert de ambulance voor onze deur, na 5 moeilijke dagen thuis. Hij stapt zelf de wagen binnen, een grote opluchting, dit komt goed.
Ondertussen krijgt hij beademing , en wordt hij -wegens te onrustig- in kunstmatige coma gehouden. De kliniek in Antwerpen komt hem ophalen, hier in Sint-Niklaas blijkt hij een te ernstig ‘geval’.
Zelf beseft hij niets meer, onderweg naar het tweede ziekenhuis geeft het hart op, een reanimatie van 30 minuten bespaart hem een stille dood tijdens zijn slaap.
In Antwerpen wordt hij aan de long-hart-machine gelegd. De longen zien er vreselijk uit en het hart hoeft nu zelf niet langer te kloppen. Eigen bloed wordt gezuiverd en van extra zuurstof voorzien, overal hangen buisjes. Tot hij ook zijn eigen gezuiverd bloed niet langer verdraagt, er wordt beslist dat anti-afstotingsmedicatie broodnodig is. En hij gaat aan een andere machine, die nog extra functies kan overnemen.
Ondertussen krijgt hij drie privé-verpleegsters die 8 uur per dag enkel nog met hem bezig zijn. Dag en nacht, nacht en dag en terug opnieuw. Buurman weet het niet, leeft nog enkel kunstmatig.
Buurvrouw mag niet bellen, te druk op de afdeling en driedubbele beschermingskledij belemmert het vrijuit bewegen. Elke dag wacht ze nu op hét telefoontje van de kliniek, waarbij ze op de hoogte wordt gebracht van de evolutie, nog nooit kreeg ze bevrijdend nieuws, nu reeds 26 dagen lang hangt zijn leven aan een zijden draadje, hij is en blijft kritiek. Ze kan hem zien, noch horen, ‘ergens ook goed’ zegt ze.
Dapper spartelt ze de dagen door, stoepbabbels doen haar zichtbaar deugd, ze wil haar verhaal en angsten kwijt, dat laatste lukt helemaal niet. s’ Nachts spookt ze door het huis, slapen is onmogelijk, toch is ze dankbaar voor de kleine dutjes overdag die even de tijd helpen wegglijden. Het besef dat haar man in de meest veilige handen is kalmeert- heel soms….. Ze bewondert de constante alertheid en de tijd die ze op de afdeling nemen voor haar vele vragen.
Ze aast en blijft azen naar een positief woord, tevergeefs.
Was het gebeurd in de eerste golf dan was de kans op overleven nihil geweest, wordt haar verteld. Nu is er nog een restje hoop. Elke dag opnieuw hunkert ze naar ‘stabiel’, maar het woord komt niet over de lippen van de dokters. Ze moet vooral ook rekening houden met de vreselijke mogelijkheid dat…..
Hij is 59, huis en tuin zijn net volledig verbouwd, klaar voor ‘de oude dag’. Tussen het snikken door, begrijp ik ‘zal dit nog lukken?’. En ondertussen wacht ze, het voelt eindeloos……
Zelfs een troostrijke knuffel is onmogelijk. Ik kan alleen maar luisteren, weet niet waar nog bemoedigende woorden te zoeken…. Hij is één van de 425 Coronapatiënten op intensieve zorgen. Plots wordt het wel heel concreet.









