Naar inhoud springen

constituent

Uit WikiWoordenboek
  • con·sti·tu·ent
enkelvoud meervoud
naamwoord constituent constituenten
verkleinwoord - -

deconstituentm

  1. onderdeel
  2. (taalkunde) een deel van een grammaticale  zin zn  dat zich in syntactisch opzicht als een eenheid manifesteert
    • De nominale constituent wordt onderscheiden van de verbale constituent. 
58 %van de Nederlanders;
65 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


stellend vergrotend overtreffend
constituent

constituent

  1. constituerend, deel uitmakend van, (mede) vormend
enkelvoud meervoud
constituent constituents
  1. onderdeel,  constituent zn  [1]
  2. (taalkunde)  constituent zn  [2]


vervoeging van
constituer

constituent

  1. derde persoon meervoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van constituer
  2. derde persoon meervoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van constituer