Gabbro
| Gabbro | ||||
|---|---|---|---|---|
| Indeling der stollingsgesteenten | ||||
| % SiO2 | uitvloeings- gesteente |
gang- gesteente |
diepte- gesteente | |
| felsisch | >~70 | ryoliet | granofier | graniet |
| ~70-63 | daciet | granodioriet | ||
| intermediair | 63-52 | andesiet | dioriet | |
| mafisch | 52-45 | basalt | doleriet | gabbro |
| ultramafisch | <45 | komatiiet | peridotiet | |
Gabbro is een grofkorrelig stollingsgesteente met een mafische, silicaverzadigde samenstelling. Gabbro bestaat voornamelijk uit de mineralen plagioklaas en clinopyroxeen. Het kan een kleiner aandeel andere mineralen bevatten, waaronder amfibool, biotiet, kwarts, olivijn, kaliveldspaat en diverse oxiden. Gabbro is een dieptegesteente dat ontstaat door het stollen van magma, gewoonlijk in grote magmakamers (plutonen) diep onderin de aardkorst. Magma met de samenstelling van gabbro ontstaat door het partieel smelten van de bovenmantel, zoals onder mid-oceanische ruggen. Het lagere deel van oceanische lithosfeer is voornamelijk uit gabbro opgebouwd.
De naam gabbro komt van het dorp Gabbro in Toscane. De naam werd ingevoerd door de Duitse geoloog Leopold von Buch in 1810.
Eigenschappen
[bewerken | brontekst bewerken]
Gabbro lijkt qua uiterlijk op een donkere versie van graniet. Beide zijn grofkorrelig kristallijn (faneritisch) stollingsgesteente, maar graniet bestaat grotendeels uit felsische mineralen terwijl gabbro mafisch is. De samenstelling van gabbro is ongeveer gelijk met die van basalt, maar basalt is fijnkorrelig (afanitisch of extrusief). Gesteente met middelgrote kristalgrootte, dat tussen gabbro en basalt in zit, heet doleriet (ook wel diabaas of microgabbro genoemd). Doleriet is gewoonlijk ganggesteente dat in ondiepe dikes of sills voorkomt (hypabassaal van oorsprong), terwijl gabbro ontstaat door het stollen van de diepere magmakamers.
Gabbro heeft een ruw uiterlijk. Het heeft een relatief hoge dichtheid. Meestal zijn ontsluitingen massief en wegens de grote competentie vormen ze hogere delen in het landschap.
Volgens de IUGS-classificatie van stollingsgesteente bestaat de modale mineralogie van gabbro uit minstens 10% mafische mineralen en hooguit 0-5% kwarts. Minstens 90% van de veldspaat in gabbro is plagioklaas.[1] Bovendien is van de plagioklaas minstens 50% anorthosiet,[1] de calciumhoudende variant (labradoriet of bytowniet). Als natriumhoudend plagioklaas domineert spreekt men niet van gabbro maar van dioriet. Het doorgaans wit of lichtgekleurde plagioklaas contrasteert sterk met de donkere mafische mineralen in gabbro.
De pyroxeen in gabbro is voornamelijk augiet. Gabbro kan ook een aanzienlijk aandeel aanvullend orthopyroxeen, olivijn, amfibool (gewoonlijk hoornblende), biotiet, veldspaatvervangers (foïden), ilmeniet, apatiet en magnetiet bevatten.
Gabbro bevat minder kaliveldspaat en kwarts dan monzoniet en monzogabbro. Het verschil met monzogabbro is dat in laatstgenoemd gesteente minder dan 90% van de veldspaat uit plagioklaas bestaat. Bij een minder dan 65% plagioklaas is de naam monzoniet. Grofkorrelig stollingsgesteente dat even rijk is aan plagioklaas maar 5-20% kwarts bevat heet kwarts-gabbro. Bij meer dan 20% kwarts gaat dit over in tonaliet. Als het gesteente in plaats van kwarts 0-10% veldspaatvervangers (foïden) bevat, is het foïdehoudend gabbro. Bij 10-60% veldspaatvervangers heet het foïde-gabbro en bij meer dan 60% veldspaatvervangers valt het onder de naam foidoliet.
Op grond van de exacte verhouding tussen de mineralen plagioklaas, clino- en orthopyroxeen, olivijn en amfibool kan gabbro verder worden onderverdeeld. In strikte zin bevat gabbro voornamelijk clinopyroxeen en plagioklaas. Ander gesteente dat in hetzelfde veld in een QAPF-diagram valt is "gabbroïsch gesteente". Als ook orthopyroxeen voorkomt verandert de naam in "orthopyroxeen-gabbro". Als het aandeel ortho- en clinopyroxeen ongeveer gelijk is spreekt men van "gabbronoriet". Als orthopyroxeen overheerst wordt het gesteente "noriet" genoemd; bij een kleine hoeveelheid clinopyroxeen wordt de naam "clinopyroxeen-noriet" gebruikt. Gabbro dat relatief weinig pyroxeen bevat en veel olivijn heet "troctoliet". Bij relatief weinig pyroxeen (<5%) en veel amfibool wordt het gesteente "hoornblende-gabbro" genoemd.

Voorkomen
[bewerken | brontekst bewerken]Gabbro is een dieptegesteente. Het wordt gevormd in diepere magmalichamen. Ook komt het voor als xenoliet of in ofiolieten. In het laatste geval is het bij orogenese en obductie in een gebergtegordel naar het oppervlak gebracht.
Een vaak als natuursteen gebruikte gabbro komt uit het Zuid-Afrikaanse Bushveld Complex. Dit gesteente werd al voor de Tweede Wereldoorlog naar Europa geëxporteerd, en wordt "Rustenburg" of "Bon Accord" genoemd naar de betreffende groeves. Deze natuursteen is beter bekend als Nero Impala.
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]Voetnoten
[brontekst bewerken]Bronnen en verwijzingen
[brontekst bewerken]- (en) Le Maitre, R.W. (ed.); Streckeisen, A.; Zanettin, B.; Le Bas, M.J.; Bonin, B.; Bateman, P.; Bellieni, G.; Dudek, A.; Efremova, F.; Keller, J.; Lameyre, J.; Sabine, P.A.; Schmid, R.; Sørensen, H. & Woolley, A.R., 2002: Igneous Rocks, A Classification and Glossary of Terms, Recommendations of the International Union of Geological Sciences Subcommission on the Systematics of Igneous Rocks (2nd ed.), Cambridge University Press, ISBN 978-0-521-66215-4.